ECLI:NL:CRVB:2021:2294

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 september 2021
Publicatiedatum
14 september 2021
Zaaknummer
18/1877 PW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:108 AwbArt. 8:57 Awb
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep wegens tegemoetkoming door Sociale verzekeringsbank

Appellanten hebben hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam. De Sociale verzekeringsbank (Svb) heeft vervolgens de opgelegde boete aangepast, waarna appellanten het hoger beroep hebben ingetrokken. Op grond van artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht kan het bestuursorgaan in dat geval worden veroordeeld in de proceskosten.

De Raad heeft het onderzoek ter zitting achterwege gelaten omdat de Svb geen verweerschrift heeft ingediend. De Raad heeft de proceskosten begroot op €1.496,- voor het beroep en €748,- voor het hoger beroep, in totaal €2.244,-. Appellanten kunnen het betaalde griffierecht rechtstreeks bij de Svb verhalen.

De uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut, in aanwezigheid van griffier K.R. van Renswoude, en op 14 september 2021 in het openbaar uitgesproken. De Svb wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten aan appellanten.

Uitkomst: De Sociale verzekeringsbank wordt veroordeeld tot betaling van €2.244,- aan proceskosten aan appellanten.

Uitspraak

Datum uitspraak: 14 september 2021
18/1877 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 februari 2018, 17/6390
Partijen:
[appellant 1] en [appellant 2] te [woonplaats] (appellanten)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. C.R. Hettema, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft op 13 december 2018 de hoogte van de opgelegde boete aangepast.
Bij brief van 6 januari 2020 heeft mr. Hettema namens appellanten het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht de Svb te veroordelen in de proceskosten.
De Svb heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen.
Onder toepassing van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Namens appellanten is het hoger beroep ingetrokken omdat de Svb aan de bezwaren van appellanten is tegemoetgekomen.
De Raad ziet aanleiding de Svb te veroordelen in de kosten die appellanten in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 1.496,- in beroep en € 748,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.
Voor vergoeding van het betaalde griffierecht kunnen appellanten zich rechtstreeks tot de Svb wenden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep veroordeelt de Svb in de kosten van appellanten tot een bedrag van € 2.244,-.
Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut, in tegenwoordigheid van K.R. van Renswoude als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 september 2021.
(getekend) E.C.R. Schut
(getekend) K.R. van Renswoude