ECLI:NL:CRVB:2021:224
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
WGA-uitkering ten onrechte beëindigd wegens onvoldoende onderbouwing arbeidsongeschiktheid
Appellante werkte als kassamedewerkster en viel in 2009 uit wegens psychische en lichamelijke klachten. Na een eerdere WIA-uitkering die in 2015 werd beëindigd, kreeg zij in 2016 een WGA-uitkering toegekend wegens 100% arbeidsongeschiktheid. Het UWV herbeoordeelde in 2017 haar arbeidsongeschiktheid op verzoek van de ex-werkgever en beëindigde de uitkering per 16 oktober 2017 omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt zou zijn.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond, stellende dat het medische onderzoek zorgvuldig was en de arbeidsongeschiktheid op goede gronden was vastgesteld. Appellante ging in hoger beroep en voerde aan dat haar beperkingen waren onderschat en zij niet in staat was de voorbeeldfuncties te verrichten.
De Raad stelde vast dat er binnen een periode van ongeveer drieënhalve maand sprake was van een groot verschil in de beoordeling van haar belastbaarheid door twee artsen van het UWV, zonder dat dit verschil adequaat was gemotiveerd. De Raad oordeelde dat het UWV niet aannemelijk had gemaakt dat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt was in die periode en vernietigde het besluit. Tevens werd het UWV veroordeeld tot schadevergoeding en proceskosten.
Uitkomst: Het besluit tot beëindiging van de WGA-uitkering wordt vernietigd en het UWV wordt veroordeeld tot schadevergoeding en proceskosten.