ECLI:NL:CRVB:2021:2232
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken beroepsgronden in sociale zekerheidszaak
Appellante heeft tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam hoger beroep ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Volgens artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet het beroepschrift de gronden van het beroep bevatten. Het ingediende beroepschrift voldeed hier niet aan omdat het geen gronden bevatte.
De gemachtigde van appellante is bij brief van 2 maart 2021 in de gelegenheid gesteld om dit verzuim binnen vier weken te herstellen, maar heeft deze termijn ongebruikt voorbij laten gaan. Vervolgens is bij aangetekende brief van 2 april 2021 nogmaals een termijn van vier weken gesteld met de waarschuwing dat overschrijding zou leiden tot niet-inhoudelijke behandeling. Ook deze termijn is ongebruikt verstreken.
Er zijn geen verontschuldigingen aangevoerd die dit verzuim rechtvaardigen. Daarom is het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard en is zonder verder onderzoek beslist. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van beroepsgronden en het niet herstellen daarvan binnen de gestelde termijnen.