ECLI:NL:CRVB:2021:2200
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Onbevoegdverklaring hoger beroep tegen uitspraak voorzieningenrechter
Appellant stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam, waarbij een verzoek om voorlopige voorziening was beslist. De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat op grond van artikel 8:104, tweede lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), tegen een uitspraak van de voorzieningenrechter als bedoeld in artikel 8:84, eerste lid, Awb, geen hoger beroep kan worden ingesteld.
Hierdoor is de Raad kennelijk onbevoegd om kennis te nemen van het ingestelde hoger beroep. De Raad besluit dan ook zonder verder onderzoek het hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren. Tevens bepaalt de Raad dat het betaalde griffierecht van € 134,- aan appellant wordt terugbetaald.
Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door rechter E.C.R. Schut in aanwezigheid van griffier D.W.M. Kaldenhoven en uitgesproken op 31 augustus 2021. Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken schriftelijk verzet worden ingesteld.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep en bepaalt dat het betaalde griffierecht wordt terugbetaald.