ECLI:NL:CRVB:2021:1697
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering ten onrechte ontvangen ouderdomspensioen en AIO-aanvulling
Appellant ontving vanaf 1 mei 2007 een gehuwdenpensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW), later een ongehuwdenpensioen en een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO-aanvulling). Vanaf maart 2009 verbleef appellant grotendeels in Libanon bij zijn vrouw en dochter. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) beëindigde het recht op AIO-aanvulling over de periode 2013-2015 en herzag het ouderdomspensioen over 2012-2016 naar een gehuwdenpensioen, waarna het teveel ontvangen bedrag van €16.192,09 werd teruggevorderd.
Appellant maakte bezwaar tegen de terugvordering, maar zijn bezwaar werd niet-ontvankelijk verklaard vanwege een ontbrekende handtekening. Na een tweede beslissing werd het bezwaar alsnog ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk en het beroep tegen het tweede besluit ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat geen dringende redenen bestonden om van terugvordering af te zien.
In hoger beroep voerde appellant aan dat hij 23 jaar in Nederland had gewoond en dat zijn vrouw en dochter ziek waren, en hoopte op uitbetaling van het ouderdomspensioen. De Raad volgde het oordeel van de rechtbank en oordeelde dat deze omstandigheden geen dringende reden vormden om af te zien van terugvordering. De Svb gaf aan momenteel niet te innen vanwege de financiële situatie van appellant. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De terugvordering van het ten onrechte ontvangen ouderdomspensioen en AIO-aanvulling wordt bevestigd zonder kwijtschelding.