ECLI:NL:CRVB:2021:1430

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 juni 2021
Publicatiedatum
16 juni 2021
Zaaknummer
17/6783 WMO15
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet maatschappelijke ondersteuning 2015
Verwijzingen
1 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing maatwerkvoorziening individuele begeleiding op grond van Wmo 2015 bevestigd

Appellante, geboren in 1950, heeft een aanvraag ingediend voor een maatwerkvoorziening individuele begeleiding op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Zij gaf aan begeleiding nodig te hebben bij administratie, doktersafspraken, communicatie en sociale contacten. Het college wees de aanvraag af op basis van een medisch advies van verzekeringsarts Breeden, waarin werd vastgesteld dat er geen sprake was van psychische of cognitieve beperkingen die begeleiding rechtvaardigen.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze afwijzing ongegrond. In hoger beroep voerde appellante aan dat zij haar hulpvraag voldoende had geconcretiseerd en onderbouwd met medische stukken die haar psychische onvermogen aantonen. Het college handhaafde het verweer dat het besluit correct was.

De Raad oordeelde dat het college zorgvuldig onderzoek had verricht en dat het advies van Breeden, waarin onder meer fysieke klachten werden vastgesteld maar geen ernstige psychische beperkingen, terecht als basis diende voor de afwijzing. De door appellante overgelegde stukken boden geen voldoende grondslag om het tegendeel aan te tonen. Het hoger beroep werd daarom verworpen en de eerdere uitspraak bevestigd.

Er werd geen aanleiding gezien om appellante te veroordelen in de proceskosten. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 16 juni 2021.

Uitkomst: De aanvraag voor maatwerkvoorziening individuele begeleiding is terecht afgewezen en het hoger beroep is verworpen.

Uitspraak

17.6783 WMO15

Datum uitspraak: 16 juni 2021
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 31 augustus 2017, 17/1448 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Westland (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. M.G.P. Glas, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.
Mr. R.G. van den Heuvel, advocaat, heeft als opvolgend gemachtigde nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 april 2021, (gedeeltelijk) door middel van beeldbellen. Namens appellante is haar zoon [naam zoon] verschenen, bijgestaan door mr. Van den Heuvel. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door V. Djordjevic.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante, geboren in 1950, heeft op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) een aanvraag gedaan voor, voor zover van belang, een maatwerkvoorziening individuele begeleiding. Appellante heeft te kennen gegeven dat zij aansporing en begeleiding nodig heeft bij haar administratie, bij doktersafspraken, bij communicatie met instellingen en bedrijven, en bij (het ontwikkelen van) sociale contacten.
1.2.
Bij besluit van 6 juli 2016, gehandhaafd na bezwaar bij besluit van 19 januari 2017 (bestreden besluit), heeft het college deze aanvraag afgewezen onder verwijzing naar het advies van 1 juli 2016 van verzekeringsarts/ medisch adviseur R.A. Breeden (Breeden).
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3.1.
Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd en samengevat aangevoerd dat zij haar hulpvraag voldoende heeft geconcretiseerd en onderbouwd. Volgens appellante heeft zij met de door haar overgelegde (medische) stukken voldoende aannemelijk gemaakt dat zij psychisch niet in staat is om zelfstandig te voorzien in haar hulpvragen.
3.2.
Het college heeft in verweer bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De Raad is van oordeel dat het college voldoende zorgvuldig onderzoek heeft gedaan naar de situatie van appellante. Breeden heeft de hulpvraag van appellante in kaart gebracht en heeft in zijn advies – samengevat – opgenomen dat appellante lijdt aan diffuse, wisselende pijnklachten met spierzwakte en vermoeidheid. Verder heeft appellante heupklachten, een aandoening aan haar schildklier, hartklachten en longklachten. Ook heeft appellante een gynaecologische aandoening en heeft zij last van incontinentieklachten. Desgevraagd heeft appellante meegedeeld dat zij geen ernstige psychische klachten heeft. Wel raakt zij gespannen van het “gevecht” met de gemeente over de voorzieningen. Zij ziet geen noodzaak voor contact met een psycholoog of een psychiater. Op basis hiervan heeft Breeden, voor zover van belang, geconcludeerd dat er geen systematisch inzicht is in psychische of cognitieve beperkingen of belemmeringen waarvoor begeleiding op grond van de Wmo 2015 aan de orde kan zijn. Er bestaat geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van deze conclusie van Breeden, zodat het college het bestreden besluit hierop heeft kunnen baseren. Anders dan appellante stelt, bieden de door haar overgelegde (medische) stukken geen onderbouwing voor haar standpunt dat zij psychisch niet in staat is om zelfstandig te voorzien in haar hulpvragen.
4.2.
Uit 4.1 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door L.M. Tobé als voorzitter en H. Benek en D. HardonkPrins als leden, in tegenwoordigheid van M.E. van Donk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 juni2021.
(getekend) L.M. Tobé
(getekend) M.E. van Donk