ECLI:NL:CRVB:2021:1430
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing maatwerkvoorziening individuele begeleiding op grond van Wmo 2015 bevestigd
Appellante, geboren in 1950, heeft een aanvraag ingediend voor een maatwerkvoorziening individuele begeleiding op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Zij gaf aan begeleiding nodig te hebben bij administratie, doktersafspraken, communicatie en sociale contacten. Het college wees de aanvraag af op basis van een medisch advies van verzekeringsarts Breeden, waarin werd vastgesteld dat er geen sprake was van psychische of cognitieve beperkingen die begeleiding rechtvaardigen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze afwijzing ongegrond. In hoger beroep voerde appellante aan dat zij haar hulpvraag voldoende had geconcretiseerd en onderbouwd met medische stukken die haar psychische onvermogen aantonen. Het college handhaafde het verweer dat het besluit correct was.
De Raad oordeelde dat het college zorgvuldig onderzoek had verricht en dat het advies van Breeden, waarin onder meer fysieke klachten werden vastgesteld maar geen ernstige psychische beperkingen, terecht als basis diende voor de afwijzing. De door appellante overgelegde stukken boden geen voldoende grondslag om het tegendeel aan te tonen. Het hoger beroep werd daarom verworpen en de eerdere uitspraak bevestigd.
Er werd geen aanleiding gezien om appellante te veroordelen in de proceskosten. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 16 juni 2021.
Uitkomst: De aanvraag voor maatwerkvoorziening individuele begeleiding is terecht afgewezen en het hoger beroep is verworpen.