ECLI:NL:CRVB:2021:1032
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-, ZW- en WGA-uitkeringen wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, laatstelijk werkzaam als verkoopster, meldde zich ziek met lichamelijke en psychische klachten. Het UWV stelde op basis van verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde een WIA-uitkering toe te kennen. Ook beëindigde het UWV haar ZW- en WGA-uitkeringen op grond van medische rapporten en functionele mogelijkhedenlijsten (FML).
De rechtbank verklaarde de beroepen van appellante tegen deze besluiten ongegrond, omdat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de beperkingen adequaat waren vastgesteld. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar beperkingen werden onderschat en dat zij recht had op een IVA-uitkering wegens een duurzaam ziektebeeld.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de gronden van appellante in hoger beroep een herhaling waren van eerdere bezwaren zonder nieuwe medische onderbouwing. De Raad onderschreef de rechtbankuitspraak dat het UWV voldoende gemotiveerd had dat de geselecteerde functies medisch passend waren en dat de mate van arbeidsongeschiktheid juist was vastgesteld. Het verzoek tot inschakeling van een onafhankelijk deskundige werd afgewezen.
De Raad bevestigde de aangevallen uitspraken en wees de beroepen af. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante terecht geen WIA-, ZW- en WGA-uitkeringen zijn toegekend of zijn beëindigd wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.