AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beoordeling niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen telefonische mededeling blokkering bijstand
Appellanten ontvingen bijstand volgens de Participatiewet. Op 16 augustus 2018 werd telefonisch aan hun zoon meegedeeld dat de uitbetaling van de bijstand per 1 augustus 2018 werd geblokkeerd vanwege onduidelijkheid over vertrek en terugkeer van appellant naar het buitenland. Appellanten maakten bezwaar tegen deze mededeling, maar het college verklaarde dit bezwaar niet-ontvankelijk omdat het geen besluit betrof in de zin van de Awb en ook geen handeling als bedoeld in artikel 79 PWPro.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellanten niet-ontvankelijk wegens gebrek aan procesbelang. De Centrale Raad van Beroep vernietigt deze uitspraak omdat er wel degelijk procesbelang bestaat, met name voor vergoeding van in bezwaar gemaakte kosten. De Raad beoordeelt vervolgens het beroep inhoudelijk.
De telefonische mededeling kwalificeert niet als een besluit of als een handeling die gelijkgesteld kan worden aan een besluit op grond van artikel 79 PWPro. Er was ook geen feitelijke niet-uitbetaling van bijstand, want de bijstand over augustus 2018 is op de reguliere betaaldatum uitbetaald. Daarom is het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard en wordt het beroep ongegrond verklaard.
Het college wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellanten in hoger beroep en tot terugbetaling van het betaalde griffierecht.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet-ontvankelijkheidsbesluit wordt ongegrond verklaard en het college wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitspraak
19.2597 PW-PV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 10 mei 2019, 18/2480 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] en [appellante] te [woonplaats] (appellanten)
het college van burgemeester en wethouders van Maastricht (college)
Datum uitspraak: 11 januari 2021
Zitting heeft: M. Hillen, lid van de enkelvoudige kamer
Griffier: A.A.H. Ibrahim
Appellanten zijn niet ter zitting verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door W. Ottenheim.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
vernietigt de aangevallen uitspraak;
verklaart het beroep tegen het besluit van 24 augustus 2018 ongegrond;
veroordeelt het college in de proceskosten van appellanten in hoger beroep tot een bedrag van € 534,-;
bepaalt dat het college aan appellanten het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 128,- vergoedt.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Appellanten ontvangen sinds april 2018 bijstand ingevolge de Participatiewet (PW) naar de norm voor gehuwden. Op 16 augustus 2018 heeft een consulent van het team participatie telefonisch aan de zoon van appellanten meegedeeld dat de uitbetaling van de bijstand van appellanten per 1 augustus 2018 wordt geblokkeerd omdat niet beoordeeld kan worden wanneer appellant naar het buitenland is vertrokken en wanneer hij terugkeert. Namens appellanten is tegen deze mededeling bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 24 augustus 2018 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellanten tegen de mededeling van 16 augustus 2018 niet-ontvankelijk verklaard. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat niet gesproken kan worden van een besluit in de zin van artikel 1:3 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en evenmin van een handeling als bedoeld in artikel 79 vanPro de PW.
Op 20 september 2018 heeft het college de bijstand van appellanten over de maand augustus 2018 uitbetaald.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep wegens het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk verklaard. Hiertegen richt zich het hoger beroep van appellanten.
De Raad volgt de rechtbank niet in haar oordeel dat appellanten geen procesbelang meer hadden bij een beoordeling van het beroep. Het bezwaar van appellanten is bij het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard en een belang bij een rechterlijke beoordeling hiervan kan appellanten niet worden ontzegd. In elk geval is, zoals appellanten terecht hebben aangevoerd, een procesbelang gelegen in de vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten.
Dit betekent dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit beoordelen.
De op 16 augustus 2018 telefonisch gedane mededeling over de blokkering is geen besluit als bedoeld in artikel 1:3 vanPro de Awb en, anders dan appellanten betogen, is deze mededeling ook niet aan te merken als het verrichten van een handeling die afwijkt van een besluit tot verlening of terugvordering van bijstand, die ingevolge artikel 79 vanPro de PW voor de toepassing van artikel 8:1, eerste lid, van de Awb met een besluit wordt gelijkgesteld. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling (Kamerstukken II 2002/2003, 28 870, nr. 3, blz 87) valt af te leiden dat het moet gaan om een uitvoeringshandeling zoals het feitelijk niet uitbetalen van de bijstand of het feitelijk verminderen van bijstand zonder dat daaraan een beslissing ten grondslag is gelegd dan wel zonder mededeling van de beslissing aan de belanghebbende. De Raad stelt vast dat van zo een dergelijke uitvoeringshandeling geen sprake is. Immers, niet in geschil is dat de bijstand over augustus 2018 op de reguliere betaaldatum, zijnde 20 september 2018, is uitbetaald. Het college heeft de bezwaren van appellanten dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard.
Dit betekent dat het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond moet worden verklaard. Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de proceskosten van appellanten in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 534,-.