Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2020:915

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 april 2020
Publicatiedatum
10 april 2020
Zaaknummer
19/1417 ANW-V
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 8:108 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep wegens te late griffierechtbetaling ongegrond verklaard

Appellante stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam, maar dit hoger beroep werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn was betaald. Appellante deed hiertegen verzet en stelde dat zij het griffierecht later alsnog had voldaan.

De Centrale Raad van Beroep behandelde het verzet en oordeelde dat appellante geen feiten of omstandigheden had aangevoerd die konden rechtvaardigen dat zij niet in verzuim was geweest. Het griffierecht was pas na afloop van de termijn bijgeschreven, zonder geldige reden voor de vertraging.

Daarom werd het verzet ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 10 april 2020.

Uitkomst: Het verzet van appellante tegen de niet-ontvankelijkverklaring van haar hoger beroep wegens te late betaling van het griffierecht wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

Datum uitspraak: 10 april 2020
19/1417 ANW-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 22 februari 2019, 18/4023 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats], Marokko (appellante)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Bij uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht van 15 november 2019 heeft de Raad het door appellante ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
Appellante heeft verzet gedaan.
Het verzet is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 28 februari 2020. Partijen zijn niet verschenen.

OVERWEGINGEN

De uitspraak van de Raad van 15 november 2019 berust op de overwegingen dat het verschuldigde griffierecht niet binnen de in de brief van 17 augustus 2019 gestelde termijn is betaald en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellante niet in verzuim is geweest.
In verzet heeft appellante, voor zover hier van belang, te kennen gegeven dat zij het griffierecht later aan de Raad heeft betaald.
De Raad is van oordeel dat appellante in verzet geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat appellante niet in verzuim is geweest. Binnen de gestelde termijn, die eindigde op 16 september 2019, is door de Raad geen griffierecht ontvangen. Eerst op 9 oktober 2019 is het griffierecht op de rekening van de Raad bijgeschreven. Dit is na afloop van de termijn. Appellante heeft in verzet geen reden gegeven voor de te late betaling.
Dit betekent dat het verzet ongegrond wordt verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling van het verzet is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma, in tegenwoordigheid van B.V.K. de Louw als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 april 2020.
(getekend) C.H. Bangma
(getekend) B.V.K. de Louw
GdJ