ECLI:NL:CRVB:2020:790
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verrekening vakantiedagen bij tussentijds ontslag docent voortgezet onderwijs
Appellant, werkzaam als docent bij een stichting voor openbaar voortgezet onderwijs, verzocht om ontslag per 1 september 2018 en hield daarbij een opzegtermijn van drie maanden in acht. De stichting verleende het ontslag en verrekende de genoten vakantiedagen met het salaris, conform artikel 14.1 van de CAO VO. Appellant maakte bezwaar tegen deze verrekening, maar dit werd ongegrond verklaard door de rechtbank.
In hoger beroep stelde appellant dat de verrekening onterecht was omdat hij niet het gehele schooljaar in dienst was geweest en dat artikel 14.1, tweede lid, niet van toepassing zou zijn op personeel dat aanspraak maakt op schoolvakanties. De Raad oordeelde dat het schooljaar loopt van 1 augustus tot 1 augustus en dat appellant door het ontslag per 1 september niet het gehele schooljaar in dienst was geweest.
De Raad bevestigde dat de stichting de aanspraak op vakantieverlof correct heeft vastgesteld aan de hand van artikel 14.1, tweede lid, van de CAO VO. Ook het betoog dat appellant geen keuze had vanwege de opzegtermijn werd verworpen, omdat er een mogelijkheid bestond om met wederzijds goedvinden de opzegtermijn te verkorten, maar appellant hiervan geen gebruik maakte. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de verrekening van vakantiedagen door de stichting bevestigd.