ECLI:NL:CRVB:2020:775
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing beroepsincident en inhouding bezoldiging ambtenaar
In deze zaak heeft appellant beroep ingesteld tegen een beslissing waarbij zijn bezoldiging werd ingehouden en waarbij hij stelde dat sprake was van een beroepsincident. De Centrale Raad van Beroep bevestigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag dat de beslissing op bezwaar rechtmatig is genomen door een bevoegde functionaris in mandaat. Er is geen strijd met artikel 10:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht vastgesteld.
Voorts oordeelt de Raad dat de door appellant gemelde gebeurtenissen niet kwalificeren als een beroepsincident zoals bedoeld in artikel 35 van Pro het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR). Er is geen sprake van een dienstongeval, beroepsziekte of een gevaarzettende situatie die direct verband houdt met de taak van appellant.
Het beroep op verantwoordelijkheid van de minister voor arbeidsomstandigheden leidt niet tot een ander oordeel. Zelfs indien sprake zou zijn van strafrechtelijk verwijtbaar handelen door andere ambtenaren, is er geen grond om de inhouding van bezoldiging als onrechtmatig te beschouwen. De Raad verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de eerdere uitspraak.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de rechtmatigheid van de inhouding van bezoldiging en wijst het beroep af.