Appellanten ontvingen een IOAW-uitkering, waarbij appellant daarnaast oproepwerkzaamheden verrichtte bij een pizzeria. De sociale recherche voerde een onderzoek uit naar mogelijke niet gemelde werkzaamheden. Uit het onderzoek bleek dat appellant buiten de opgegeven uren werk verrichtte in de pizzeria, wat niet was gemeld aan het college.
Het college trok de uitkering per 1 oktober 2016 in en vorderde de reeds betaalde uitkering terug. Appellanten maakten bezwaar, maar dit werd ongegrond verklaard. De rechtbank bevestigde dit besluit, waarna appellanten hoger beroep instelden.
De Raad beoordeelde of appellant als werkloze werknemer in de zin van de IOAW kon worden aangemerkt. Gezien de aard en omvang van de werkzaamheden, en het ontbreken van melding en informatie over de omvang daarvan, oordeelde de Raad dat appellant zijn hoedanigheid als werkloze werknemer verloor. Het college was daarom gehouden de uitkering in te trekken en terug te vorderen.
De Raad passeerde een gebrek in de motivering van het college en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Tevens veroordeelde de Raad het college in de proceskosten van appellanten en bepaalde dat het griffierecht werd vergoed.