ECLI:NL:CRVB:2020:643
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling en toekenning WGA-vervolguitkering bij toegenomen arbeidsongeschiktheid
Appellant, voormalig medewerker drukkerij, meldde zich ziek met diverse klachten en ontving een WGA-uitkering op basis van een arbeidsongeschiktheid van 36,39%. Na melding van toegenomen arbeidsongeschiktheid werd deze verhoogd naar 45-55% met recht op een vervolguitkering van 35% van het minimumloon. Appellant maakte bezwaar tegen de inschatting van zijn beperkingen, met name vanwege concentratieproblemen, vermoeidheid en gehoorklachten.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep stelde een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) op, die door een door de Raad benoemde deskundige werd bevestigd. De deskundige concludeerde dat de gehoorklachten beperkingen opleveren, maar dat er geen aanwijzingen zijn voor beperkingen door concentratieproblemen of vermoeidheid. De arbeidsdeskundige selecteerde passende functies die appellant kan verrichten, resulterend in een hogere mate van arbeidsongeschiktheid van 59,06%.
De Raad vernietigde het eerdere besluit dat niet op een deugdelijke medische en arbeidskundige grondslag was gebaseerd, maar verklaarde het beroep tegen het latere besluit ongegrond. De Raad veroordeelde het Uwv tot vergoeding van proceskosten en griffierechten. Het oordeel van de deskundige werd gevolgd vanwege de overtuigende motivering en het zorgvuldige onderzoek.
Uitkomst: Het eerdere besluit over de WGA-uitkering wordt vernietigd en het beroep tegen het latere besluit wordt ongegrond verklaard met een vaststelling van een arbeidsongeschiktheid van 55-65%.