ECLI:NL:CRVB:2020:637

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
6 maart 2020
Publicatiedatum
11 maart 2020
Zaaknummer
19/2510 AOW-V
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:9 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 8:108 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet ongegrond wegens verzuim bij te late ontvangst hogerberoepschrift

Appellant had hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam, maar het hogerberoepschrift werd niet tijdig ontvangen door de Centrale Raad van Beroep. Hoewel het document vóór het verstrijken van de termijn per post was verzonden, werd het pas na de wettelijke termijn ontvangen, waardoor niet aan de voorwaarden van artikel 6:9, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) werd voldaan.

De Raad had het hoger beroep eerder niet-ontvankelijk verklaard wegens dit verzuim. Appellant deed hiertegen verzet en stelde dat het hogerberoepschrift tijdig per aangetekende post was verzonden. Tijdens de zitting waren beide partijen afwezig.

De Raad oordeelde dat het risico van late ontvangst bij de verzender ligt en dat er geen feiten of omstandigheden waren die het verzuim konden rechtvaardigen. Daarom werd het verzet ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

De uitspraak werd gedaan door rechter C.H. Bangma, met griffier R.I.S. van Haaren, op 6 maart 2020.

Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard vanwege te late ontvangst van het hogerberoepschrift.

Uitspraak

Datum uitspraak: 6 maart 2020
19/2510 AOW-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 11 april 2019, 18/4853 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] , Marokko (appellante)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank

PROCESVERLOOP

Bij uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht van 3 oktober 2019 heeft de Raad het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
Appellant heeft verzet gedaan.
Het verzet is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 24 januari 2020. Beide partijen zijn niet verschenen.

OVERWEGINGEN

De uitspraak van de Raad van 3 oktober 2019 berust op de overwegingen dat het hogerberoepschrift niet tijdig is ingediend, en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest.
De laatste dag waarop tijdig een hogerberoepschrift kon worden ingediend was 23 mei 2019. Het door appellant ingediende hogerberoepschrift is gedateerd op 15 mei 2019, is blijkens de poststempel op 22 mei 2019 ter post bezorgd en is op 7 juni 2019 bij de Raad ontvangen. Het hogerberoepschrift is weliswaar voor het einde van de termijn ter post bezorgd, maar niet binnen een week na afloop van de termijn ontvangen. Derhalve is niet voldaan aan de voorwaarden die in artikel 6:9, tweede lid, van de Awb, zijn gesteld. De termijn voor het indienen van hoger beroep is aldus overschreden.
In verzet heeft appellant te kennen gegeven dat hij tijdig per aangetekende post hoger beroep heeft ingesteld.
De Raad ziet in verzet geen feiten of omstandigheden op grond waarvan geoordeeld zou moeten worden dat appellant niet in verzuim is geweest. Het risico dat een poststuk de Raad niet tijdig bereikt, komt voor rekening en risico van de verzender van dat poststuk.
Dit betekent dat het verzet ongegrond wordt verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling van het verzet is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma, in tegenwoordigheid van R.I.S. van Haaren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2020.
(getekend) C.H. Bangma
(getekend) R.I.S. van Haaren

DS