ECLI:NL:CRVB:2020:631
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging WGA-uitkering na zorgvuldig medisch onderzoek
Appellante werkte sinds 2007 als medewerkster thuiszorg totdat zij in 2010 uitviel wegens fysieke en psychische klachten. Het UWV kende haar aanvankelijk een WGA-uitkering toe vanwege 80-100% arbeidsongeschiktheid, maar stelde later vast dat zij geen recht meer had op deze uitkering. De ex-werkgeefster maakte bezwaar, waarna aanvullend medisch onderzoek plaatsvond. De rechtbank vernietigde het besluit wegens een motiveringsgebrek, maar handhaafde de rechtsgevolgen.
In hoger beroep betoogde appellante dat het medisch onderzoek onvoldoende rekening hield met haar beperkingen, waaronder een aangeboren spastische aandoening. Zij overhandigde aanvullende medische stukken ter onderbouwing. Het UWV verwees naar nadere rapporten van verzekeringsartsen die de eerdere beoordeling bevestigden.
De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, waarbij alle relevante klachten en beperkingen, zoals buikoperaties, allergieën, en psychische problematiek, adequaat waren meegenomen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). De geschiktheid voor de voorgehouden functies was voldoende gemotiveerd. De aanvullende medische informatie bracht geen nieuwe feiten aan het licht die tot een ander oordeel zouden moeten leiden.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom het bestreden vonnis en het besluit van het UWV dat appellante geen recht meer heeft op een WGA-uitkering. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen recht meer heeft op een WGA-uitkering.