ECLI:NL:CRVB:2020:630
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellant, werkzaam als beveiliger, meldde zich op 1 maart 2015 ziek met psychische klachten. Na medisch en arbeidskundig onderzoek stelde het UWV vast dat appellant niet geschikt was voor zijn laatste werk, maar met beperkingen nog 90,32% van zijn maatmaninkomen kon verdienen. Daarom weigerde het UWV op 1 februari 2017 een WIA-uitkering toe te kennen vanwege minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, maar het UWV verklaarde dit ongegrond op 14 juli 2017, gebaseerd op aangepaste medische rapporten en een aangescherpte Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). De rechtbank bevestigde dit oordeel en oordeelde dat de belastbaarheid en functieselectie zorgvuldig waren vastgesteld.
In hoger beroep voerde appellant aan dat onvoldoende rekening was gehouden met zijn psychische en lichamelijke klachten en dat de geselecteerde functies niet passend waren. Het UWV en de werkgever verzochten bevestiging van het eerdere oordeel.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de medische en arbeidskundige beoordeling zorgvuldig en overtuigend was gemotiveerd. Er was geen aanleiding het oordeel over de mate van arbeidsongeschiktheid of de geschiktheid van functies te wijzigen. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is en wijst het hoger beroep af.