ECLI:NL:CRVB:2020:622

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
6 maart 2020
Publicatiedatum
11 maart 2020
Zaaknummer
19/2555 WMO-V
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:55 AwbArt. 8:108 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet ongegrond wegens niet tijdig indienen hogerberoepschrift en gebrek aan bewijs vertraging postbezorging

Appellante had hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland, maar dit hoger beroep werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het niet tijdig was ingediend. Appellante stelde in verzet dat de vertraging in de postbezorging in Marokko de oorzaak was van het late indienen. Tevens gaf zij aan dat haar studie en reizen tussen twee gemeenten haar belemmerden om direct kennis te nemen van de post.

De Centrale Raad van Beroep heeft het verzet behandeld, waarbij beide partijen niet verschenen. De Raad oordeelde dat appellante geen bewijsstukken had overgelegd die de vertraging in de postbezorging konden onderbouwen. Daarnaast had appellante een derde kunnen inschakelen om haar post te beheren. Hierdoor kon niet worden geoordeeld dat appellante niet in verzuim was.

De Raad verklaarde het verzet ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. De uitspraak werd gedaan door rechter C.H. Bangma, met griffier R.I.S. van Haaren, op 6 maart 2020.

Uitkomst: Het verzet van appellante wordt ongegrond verklaard wegens gebrek aan bewijs voor vertraging en niet tijdig indienen hogerberoepschrift.

Uitspraak

Datum uitspraak: 6 maart 2020
19/2555 WMO-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 16 april 2019, 18/4965 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] , Marokko (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college)

PROCESVERLOOP

Bij uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht van 23 oktober 2019 heeft de Raad het door appellante ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
Appellante heeft verzet gedaan.
Het verzet is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 24 januari 2020. Beide partijen zijn niet verschenen.

OVERWEGINGEN

De uitspraak van de Raad van 23 oktober 2019 berust op de overwegingen dat het hogerberoepschrift niet tijdig is ingediend, en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellante niet in verzuim is geweest.
In verzet heeft appellante te kennen gegeven dat er vertraging in de postbezorging in Marokko is. Ook voert appellante aan dat zij in verband met haar studie veel reist tussen [gemeente 1] en [gemeente 2] . Om die reden kan appellante niet meteen na de bezorging kennis nemen van de inhoud van de post.
De Raad ziet in verzet geen feiten of omstandigheden op grond waarvan geoordeeld zou moeten worden dat appellante niet in verzuim is geweest. Appellante heeft de vertraging in de postbezorging niet met bewijsstukken onderbouwd. Ook had appellante een derde kunnen inschakelen om haar post bij te houden.
Dit betekent dat het verzet ongegrond wordt verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling van het verzet is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma, in tegenwoordigheid van R.I.S. van Haaren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2020.
(getekend) C.H. Bangma
(getekend) R.I.S. van Haaren

DS

DÉCISION

La Centrale Raad van Beroep (Cour d'Appel Centrale) déclare le recours non fondé.
Par conséquent, décidée par C.H. Bangma en présence de R.I.S. van Haaren en qualité de greffier, ainsi que prononcée en public, le 6 mars 2020.