ECLI:NL:CRVB:2020:601
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, die sinds 2007 arbeidsongeschikt is verklaard, kreeg aanvankelijk een WIA-uitkering toegekend met een arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Na herbeoordelingen in 2013 en 2016 stelde het UWV dat haar beperkingen niet waren toegenomen en dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was, waarna de uitkering werd ingetrokken per 5 november 2016.
Appellante voerde aan dat haar psychische en sociale beperkingen waren toegenomen, ondersteund door rapporten van haar psychiater en een neuropsycholoog. Het UWV en verzekeringsartsen weerlegden deze stellingen met gemotiveerde medische rapporten en functionele mogelijkhedenlijsten (FML). De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak.
De Raad oordeelt dat er geen objectiveerbare toename van beperkingen is vastgesteld sinds de eerdere beoordeling en dat de functies die aan de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling ten grondslag liggen medisch geschikt zijn voor appellante. Het verzoek om een onafhankelijke deskundige wordt afgewezen en het hoger beroep wordt verworpen.
Uitkomst: De intrekking van de WIA-uitkering per 5 november 2016 wordt bevestigd omdat geen objectiveerbare toename van beperkingen is vastgesteld.