Appellant ontving in 2014 een ouderdomspensioen met AOW-toeslag en samen met zijn echtgenote een AIO-aanvulling. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) constateerde dat het inkomen van de echtgenote hoger was dan eerder aangenomen, waardoor te veel toeslagen waren uitbetaald. De Svb trok de AIO-aanvulling in en herzag de AOW-toeslag, gevolgd door terugvorderingen.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze besluiten ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat de berekeningen onjuist waren, met name dat de Svb onterecht was uitgegaan van de definitieve belastingaanslag van de echtgenote en niet van het declaratieoverzicht van de Stichting waar zij werkte.
De Raad oordeelde dat voor de AOW-toeslag de Svb terecht uitging van de definitieve aanslag, die bindend is in dit geding. Voor de AIO-aanvulling geldt echter een ander inkomensbegrip; daarbij moeten ook vergoedingen voor reiskosten en overige vergoedingen worden meegerekend. De Svb had onterecht de definitieve aanslag gebruikt, maar ook met de juiste berekening was er geen recht op AIO-aanvulling. Wel stelde de Raad vast dat de hoogte van de terugvordering van de AIO-aanvulling moest worden aangepast naar €1.590,88.
De Raad vernietigde het bestreden besluit voor zover het de hoogte van de terugvordering van de AIO-aanvulling betrof, stelde de terugvordering vast op het lagere bedrag en liet het overige besluit in stand. Tevens werd het betaalde griffierecht aan appellant vergoed.