ECLI:NL:CRVB:2020:415
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering Wajong-uitkering tijdens verblijf in het buitenland wegens ontbreken medische noodzaak
Appellante, geboren in 1973, ontving vanaf 2001 een Wajong-uitkering. Na een verblijf in het buitenland verzocht zij om nabetaling van de uitkering over die periode, maar het UWV weigerde dit omdat niet kon worden vastgesteld of er een medische noodzaak was voor het verblijf in het buitenland.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het UWV de regels correct had toegepast. De behandeling van de verslaving van haar partner in Curaçao was niet medisch geïndiceerd, en er was geen bewijs dat appellante afhankelijk was van haar partner voor verzorging of dat zij zelf een medische noodzaak had om in het buitenland te verblijven.
In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunten, waaronder de rol van haar partner als verzorger en haar eigen medische situatie. De Centrale Raad van Beroep onderschreef echter het oordeel van de rechtbank en bevestigde dat het UWV terecht de uitkering had geweigerd. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht de Wajong-uitkering tijdens het verblijf in het buitenland heeft geweigerd.