ECLI:NL:CRVB:2020:391
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling recht op ziekengeld na arbeidsongeschiktheid en medische beperkingen
Appellante was werkzaam als postbezorgster en meldde zich ziek met diverse klachten waaronder psychische problemen en fibromyalgie. Het UWV stelde vast dat zij meer dan 65% van haar oude loon kon verdienen op basis van een functionele mogelijkhedenlijst (FML) en arbeidsdeskundig onderzoek.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep voerde appellante aan dat haar beperkingen ernstiger waren dan aangenomen en dat het UWV onterecht geen urenbeperking had vastgesteld. Ook stelde zij dat de functie van wikkelaar niet passend was. Het UWV erkende dat deze functie niet passend was, maar dit wijzigde de uitkomst niet.
De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de FML juist was toegepast. De Raad vond geen aanleiding voor het inschakelen van een deskundige of twijfel aan de medische beoordeling. Het ontbreken van beperkingen voor handen en polsen werd niet als inconsistentie gezien. Het UWV werd veroordeeld in de proceskosten vanwege een gebrekkige motivering die in hoger beroep was aangepast, maar dit leidde niet tot wijziging van het besluit.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV om het ziekengeld te beëindigen blijft in stand.