Uitspraak
11 mei 2020, 19/5119 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam. Volgens artikel 8:41 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is griffierecht verschuldigd bij het indienen van een beroepschrift, en artikel 8:108 Awb Pro maakt dit ook van toepassing op hoger beroep. Appellant is bij brief van 1 juli 2020 en bij aangetekende brief van 1 augustus 2020 gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht van €131,- en de uiterste betaaldatum.
Ondanks deze waarschuwingen is het griffierecht niet binnen de gestelde termijn betaald. De Raad oordeelt dat appellant daardoor in verzuim is en verklaart het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
De uitspraak is gedaan door rechter E.C.R. Schut, met griffier N. Khachatryan, en uitgesproken op 1 december 2020. Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken schriftelijk verzet worden ingesteld.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht.