ECLI:NL:CRVB:2020:3012

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 december 2020
Publicatiedatum
1 december 2020
Zaaknummer
20/2172 PW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:108 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens niet-betaling griffierecht ondanks afgewezen betalingsonmacht

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de voorzieningenrechter, waarbij zij een beroep deed op betalingsonmacht voor het griffierecht. De Raad heeft appellante meerdere malen verzocht het griffierecht te voldoen en heeft daarbij de criteria voor betalingsonmacht toegelicht. Appellante heeft het formulier voor betalingsonmacht ingevuld en aanvullende inkomensgegevens verstrekt. Op basis van deze gegevens heeft de Raad geconcludeerd dat appellante niet aan de criteria voor betalingsonmacht voldoet en heeft het beroep afgewezen.

Vervolgens is appellante meerdere malen schriftelijk gewezen op de verplichting tot betaling van het griffierecht binnen de gestelde termijn, met de waarschuwing dat niet-betaling kan leiden tot niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep. Het griffierecht is niet betaald binnen de gestelde termijn. De Raad oordeelt dat appellante in verzuim is en verklaart het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk zonder verder onderzoek.

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 1 december 2020.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht ondanks afgewezen betalingsonmacht.

Uitspraak

Datum uitspraak: 1 december 2020
20/2172 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag van 28 mei 2020, 20/961 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Gouda

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. N. Talhaoui, advocaat, hoger beroep.

OVERWEGINGEN

In artikel 8:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat van de indiener van het beroepschrift een griffierecht wordt geheven. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Bij brief van 17 juni 2020 is de gemachtigde van appellante erop gewezen dat een griffierecht van € 131,- is verschuldigd, en is medegedeeld dat dit bedrag uiterlijk 28 dagen na de dag van verzending van de brief op de in die brief genoemde bankrekening moet zijn bijgeschreven.
Bij brief van 19 juni 2020 is namens appellante een beroep op betalingsonmacht gedaan.
Bij brief van 29 juni 2020 is de gemachtigde van appellante gewezen op de criteria die gelden voor het aannemen van ‘betalingsonmacht’. De gemachtigde van appellante is een termijn van twee weken gegeven om door middel van het invullen en retourneren van het bij de brief gevoegde formulier te reageren op voornoemde brief. Daarbij is de gemachtigde van appellante erop gewezen dat het beroep op betalingsonmacht wordt afgewezen als het formulier niet op tijd is teruggestuurd, niet compleet is ingevuld en/of gegevens ontbreken en dat er geen gelegenheid is tot aanvulling van het formulier of de gegevens.
Appellante heeft dit formulier ingevuld en ondertekend ingezonden. De Raad heeft het op 6 juli 2020 ontvangen.
Bij brief van 10 juli 2020 heeft de Raad een inkomensverklaring met betrekking tot appellante opgevraagd bij de Raad voor Rechtsbijstand.
Bij brief van 21 juli 2020 heeft de Raad voor Rechtsbijstand de inkomensverklaring van appellante overgelegd. Uit deze verklaring blijkt dat het verzamelinkomen van appellante € 20.098,- bedraagt in het peiljaar 2018.
Bij brief van 13 augustus 2020 is aan de gemachtigde van appellante een termijn van twee weken gegeven om door middel van het invullen en retourneren van de bij de brief gevoegde verklaring te reageren, nu de gegevens in de inkomensverklaring niet actueel waren.
Op 17 augustus 2020 heeft de Raad de ingevulde verklaring ontvangen waaruit blijkt dat de inkomensgegevens van appellante niet meer actueel zijn en dat appellante niet over vermogen beschikt.
Bij brief van 18 augustus 2020 is de gemachtigde van appellante verzocht een kopie van de uitkeringsspecificatie en/of salarisspecificatie van appellante over de maand juni 2020 en juli 2020 in te zenden.
Bij brief van 1 september 2020 heeft de gemachtigde van appellante de uitkeringsspecificatie van appellante over de maand juni 2020 en juli 2020 overgelegd.
Bij brief van 10 september 2020 is de gemachtigde van appellante meegedeeld dat op basis van de verstrekte gegevens appellante niet aan de criteria voor betalingsonmacht voldoet en dat het beroep op betalingsonmacht is afgewezen. Daarbij is de gemachtigde van appellante meegedeeld dat hij een (nieuwe) herinnering griffierecht zal ontvangen en is hem verzocht het griffierecht binnen de op de herinnering gestelde termijn te betalen. Voorts is erop gewezen dat overschrijding van die termijn kan leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het (hoger) beroep.
Bij aangetekende brief van 11 september 2020 is de gemachtigde van appellante nogmaals gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en is medegedeeld dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken na de datum van deze brief dient te zijn bijgeschreven op de in die brief genoemde bankrekening dan wel contant moet zijn betaald op het bezoekadres van de Raad. Daarbij is erop gewezen dat als het griffierecht niet tijdig wordt betaald, appellante er rekening mee moet houden dat het (hoger) beroep niet inhoudelijk behandeld zal worden.
Het griffierecht is niet binnen de termijn betaald.
Op grond van de beschikbare gegevens kan redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat appellante niet in verzuim is geweest. Het hoger beroep is kennelijk niet‑ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.
Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut, in tegenwoordigheid van N. Khachatryan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 december 2020.
(getekend) E.C.R. Schut
(getekend) N. Khachatryan
Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.