Uitspraak
19.3840 WUV
OVERWEGINGEN
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant is nabestaande van een uitkeringsgerechtigde vervolgde die in 2019 is overleden. Na het overlijden werd aan appellant een periodieke uitkering toegekend, maar deze werd vastgesteld op nul euro vanwege verrekening met zijn andere inkomsten zoals AOW, pensioen en vermogen.
Appellant betoogde dat hem destijds was toegezegd dat hij 50% van de uitkering van zijn echtgenote zou ontvangen, en dat hij financiële verplichtingen is aangegaan op basis van die toezegging. De Raad heeft dit onderzocht maar vond geen aanwijzingen ter ondersteuning van deze toezegging.
De Raad oordeelt dat de wettelijke bepalingen in de Wuv dwingend voorschrijven dat alle inkomsten op de uitkering in mindering moeten worden gebracht. Omdat de overige inkomsten van appellant hoger zijn dan de uitkering, leidt dit tot nihilstelling. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de nihilstelling van de nabestaandenuitkering gehandhaafd.