ECLI:NL:CRVB:2020:2903

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 november 2020
Publicatiedatum
24 november 2020
Zaaknummer
19/5374 AOW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:108 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens niet tijdige betaling griffierecht

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam. Volgens artikel 8:41 Awb Pro dient bij het indienen van een beroepschrift griffierecht te worden betaald, hetgeen overeenkomstig artikel 8:108 Awb Pro ook geldt voor hoger beroep. Appellant is hier meerdere malen schriftelijk op gewezen, met duidelijke termijnen voor betaling.

Ondanks een verzoek om een betalingsregeling en een eenmalige verlenging van de betalingstermijn, heeft appellant het griffierecht niet binnen de gestelde termijn voldaan. De Raad heeft op basis van de beschikbare gegevens geoordeeld dat appellant in verzuim is. Hierdoor is het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard zonder inhoudelijke behandeling.

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum, in aanwezigheid van griffier T. Hemelrijk-van den Oudenalder, en op 19 november 2020 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet tijdige betaling van het griffierecht.

Uitspraak

Datum uitspraak: 19 november 2020
19/5374 AOW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
29 november 2019, 18/7436 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] , Marokko (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

OVERWEGINGEN

In artikel 8:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat van de indiener van het beroepschrift een griffierecht wordt geheven. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Bij brief van 7 januari 2020 is appellant erop gewezen dat een griffierecht van € 128,- is verschuldigd, en is medegedeeld dat dit bedrag uiterlijk 28 dagen na de dag van verzending van de brief op de in die brief genoemde bankrekening moet zijn bijgeschreven.
Bij aangetekende brief van 7 februari 2020 is appellant nogmaals gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en is medegedeeld dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken na de datum van deze brief op de in die brief genoemde bankrekening dient te zijn bijgeschreven dan wel contant moet zijn betaald op het bezoekadres van de Raad. Daarbij is erop gewezen dat als het griffierecht niet tijdig wordt betaald, appellant er rekening mee moet houden dat het (hoger) beroep niet inhoudelijk behandeld zal worden.
Bij brief van 6 februari 2020 heeft appellant verzocht een betalingsregeling te treffen.
Bij schrijven van 20 mei 2020 heeft de Raad appellant medegedeeld dat, om hem éénmalig tegemoet te komen, hij de gelegenheid krijgt om binnen zes weken na datum van deze brief het griffierecht alsnog te betalen. Daarbij is erop gewezen dat als het griffierecht niet tijdig wordt betaald het hoger beroep niet inhoudelijk wordt behandeld.
Het griffierecht is niet binnen de termijn betaald.
Op grond van de beschikbare gegevens kan redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest. Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.
Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum in tegenwoordigheid van
T. Hemelrijk-van den Oudenalder als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 november 2020.
(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum
(getekend) T. Hemelrijk-van den Oudenalder
Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.

BESCHEID

Der Centrale Raad van Beroep verwirft die Berufung als unzulässig.
Dieses Urteil wurde gesprochen von M.A.H. van Dalen-van Bekkum, in Anwesenheit von
T. Hemelrijk-van den Oudenalder als Protokollführer. Die Entscheidung wurde in der Öffentlichtkeit am 19 November 2020 verkündet.
Gegen dieses Urteil kann der Interessente und das Verwaltungsorgan innerhalb von sechs Wochen nach dem Versand dieser Kopie schriftlich Einspruch erheben beim Centrale Raad van Beroep (Zentrale Berufungsrat), Postfach 16002, 3500 DA UTRECHT. Der Einreicher der schriftlichen Einspruchserhebung kann dabei beantragen, daß man ihn über den Einspruch anhört.