ECLI:NL:CRVB:2020:2860

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 november 2020
Publicatiedatum
18 november 2020
Zaaknummer
19/1487 PW-V
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 8:108 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens niet-betaling griffierecht ongegrond verklaard

Appellant had hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland, maar dit beroep werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn was betaald. De Raad wees het verzoek om vrijstelling van betaling af vanwege het ontbreken van een actuele uitkerings- of salarisspecificatie.

Appellant deed verzet tegen deze niet-ontvankelijkverklaring met het argument dat eerder overgelegde belastinggegevens toereikend waren en dat de gevreesde uitkeringsspecificatie niet zou leiden tot een juiste beoordeling van de betalingsonmacht. Tijdens de zitting werd echter geen feitelijke grond aangevoerd die het verzuim kon opheffen.

De Raad concludeerde dat het inkomen op basis van de overgelegde gegevens waarschijnlijk te hoog is om betalingsonmacht aan te nemen, waardoor het verzet ongegrond werd verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep wegens niet-betaling van het griffierecht is ongegrond verklaard.

Uitspraak

Datum uitspraak: 13 november 2020
19/1487 PW-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 22 maart 2019, 18/3549 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Heerenveen

PROCESVERLOOP

Bij uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht van 2 juni 2020 heeft de Raad het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
Appellant heeft verzet gedaan.
Het onderzoek is ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 oktober 2020, waar
mr. K.A. Faber, advocaat, namens appellant is verschenen. Het college heeft zich met voorafgaand bericht niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

De uitspraak van de Raad van 2 juni 2020 berust op de overwegingen dat het verschuldigde griffierecht niet binnen de gestelde termijn is betaald nadat het verzoek om vrijstelling van betaling van het griffierecht is afgewezen omdat de gevraagde actuele uitkerings- of salarisspecificatie niet is verstrekt en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest.
In verzet is aangevoerd dat de overgelegde belastingopgave van 2018 over het
verzamelinkomen in voorgaande procedures eerder wel toereikend was en werd geaccepteerd voor het aantonen van betalingsonmacht van het griffierecht. Appellant ondersteunt dat met rechtspraak van het Hof. De reden dat pas in verzet een door de Raad opgevraagde actuele uitkeringsspecificatie wordt overgelegd, is dat appellant vreesde dat die uitkeringsspecificatie leidend zou zijn en dat dan niet zou worden gekeken naar de aftrekposten.
De Raad stelt vast dat in het verzetschrift en wat is aangevoerd tijdens de zitting geen feiten of omstandigheden naar voren zijn gekomen op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest. Hierbij merkt de Raad op dat, zou het betoog wel slagen, op basis van de in verzet overgelegde gegevens, het inkomen waarschijnlijk te hoog is om te kunnen concluderen dat sprake is van betalingsonmacht.
Dit betekent dat het verzet ongegrond zal worden verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma, in tegenwoordigheid van R.H. Koopman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 november 2020.
(getekend) C.H. Bangma
(getekend) R.H. Koopman