ECLI:NL:CRVB:2020:2837
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging toekenning loongerelateerde WGA-uitkering bij 41,95% arbeidsongeschiktheid
Appellante, voormalig productiemedewerker, meldde zich ziek met knieklachten en ontving een Ziektewetuitkering. Na een beoordeling door het UWV werd haar ZW-uitkering beëindigd en werd vastgesteld dat zij geen recht had op een WIA-uitkering omdat zij niet 104 weken arbeidsongeschikt was. Na bezwaar stelde het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid vast op 41,95% en kende een loongerelateerde WGA-uitkering toe.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat de medische beperkingen en psychische klachten niet zodanig waren dat zij meer beperkingen had dan vastgesteld. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar PTSS-klachten waren onderschat en dat zij door wachttijden pas later behandeld kon worden, waardoor haar beperkingen op de datum in geding groter waren.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef de medische beoordeling van het UWV en de rechtbank. De Raad oordeelde dat de aanvullende medische stukken betrekking hadden op een latere periode dan de datum in geding en dat het UWV voldoende had gemotiveerd dat de geselecteerde functies medisch geschikt waren. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de loongerelateerde WGA-uitkering van 41,95% arbeidsongeschiktheid wordt bevestigd.