ECLI:NL:CRVB:2020:2810

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 november 2020
Publicatiedatum
13 november 2020
Zaaknummer
19/4305 PW-V
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 8:108 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens niet-betaling griffierecht ongegrond verklaard

Appellant had hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Overijssel, maar werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het verschuldigde griffierecht niet binnen de gestelde termijn was betaald nadat een verzoek om vrijstelling was afgewezen.

Appellant deed verzet tegen deze niet-ontvankelijkverklaring en voerde aan dat hij in het buitenland verbleef en daarom geen gegevens kon opsturen. De Raad stelde vast dat appellant geen feiten of omstandigheden had aangevoerd die konden leiden tot de conclusie dat hij niet in verzuim was geweest.

De Raad benadrukte dat appellant zelf verantwoordelijk is voor het doorgeven van een juist correspondentieadres. Er waren geen overige omstandigheden die het verzet konden rechtvaardigen. Daarom werd het verzet ongegrond verklaard.

Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door C.H. Bangma, voorzitter, in aanwezigheid van griffier R.H. Koopman op 13 november 2020.

Uitkomst: Het verzet van appellant wordt ongegrond verklaard wegens het niet tijdig betalen van het griffierecht.

Uitspraak

Datum uitspraak: 13 november 2020
19/4305 PW-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 18 september 2019, 18/2153 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Haaksbergen

PROCESVERLOOP

Bij uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht van 30 juni 2020 heeft de Raad het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
Appellant heeft verzet gedaan.
Het verzet is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 2 oktober 2020, waar partijen niet zijn verschenen.

OVERWEGINGEN

De uitspraak van de Raad van 30 juni 2020 berust op de overwegingen dat het verschuldigde griffierecht niet binnen de gestelde termijn is betaald nadat een verzoek om vrijstelling voor het griffierecht is afgewezen, en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest.
In verzet voert appellant samengevat aan dat hij duidelijk heeft aangegeven dat hij in het buitenland zat en daarom geen gegevens kon opsturen.
De Raad stelt vast dat appellant in verzet geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat hij niet in verzuim is geweest. In situaties als onderhavige is appellant zelf verantwoordelijk voor het doorgeven van een juist (correspondentie) adres. Van overige omstandigheden die tot gegrondverklaring van het verzet zouden kunnen leiden is niet gebleken.
Dit betekent dat het verzet ongegrond wordt verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling van het verzet is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma, in tegenwoordigheid van R.H. Koopman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 november 2020.
(getekend) C.H. Bangma
(getekend) R. H. Koopman