ECLI:NL:CRVB:2020:2259

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 september 2020
Publicatiedatum
23 september 2020
Zaaknummer
18/5092 WMO15
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:108 AwbArt. 8:57 Awb
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking hoger beroep na tegemoetkoming college in bezwaar en proceskostenveroordeling

Appellante stelde hoger beroep in tegen een besluit van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag. Het college heeft vervolgens het bezwaar van appellante gegrond verklaard en vier uur hulp bij het huishouden toegekend, evenals de in bezwaar gemaakte kosten vergoed. Hierdoor heeft appellante het hoger beroep ingetrokken en verzocht om proceskostenvergoeding.

De Centrale Raad van Beroep heeft het onderzoek ter zitting achterwege gelaten en het verzoek tot proceskostenvergoeding toegewezen. Op grond van de toepasselijke artikelen uit de Algemene wet bestuursrecht is het college veroordeeld tot betaling van de proceskosten die appellante redelijkerwijs heeft moeten maken in zowel de beroeps- als hoger beroepsprocedure.

De proceskosten zijn vastgesteld op €1.050,- voor het beroep en €525,- voor het hoger beroep, totaal €1.575,-. Appellante kan het betaalde griffierecht rechtstreeks bij het college verhalen. De uitspraak is gedaan door rechter H. Benek en griffier T. Hemelrijk-van den Oudenalder op 23 september 2020.

Uitkomst: Het college is veroordeeld tot betaling van €1.575,- aan proceskosten aan appellante.

Uitspraak

Datum uitspraak: 23 september 2020
18/5092 WMO15
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
13 augustus 2018, 18/1829 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. K. Wevers hoger beroep ingesteld.
Het college heeft bij besluit van 21 juni 2019 het bezwaar van appellante gegrond verklaard en aan appellante vier uur hulp bij het huishouden toegekend. Daarbij heeft het college tevens de in bezwaar gemaakte kosten vergoed.
Namens appellante heeft mr. Wevers bij brief van 26 november 2019 het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het college te veroordelen in de proceskosten.
Het college heeft bij brief van 30 maart 2020 gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen en heeft laten weten het niet onredelijk te vinden om in de proceskosten veroordeeld te worden.
Onder toepassing van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Namens appellante is het hoger beroep ingetrokken omdat het college met het besluit van
21 juni 2019 aan de bezwaren van appellante is tegemoet gekomen.
De Raad ziet aanleiding om het college te veroordelen in kosten die appellante in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op
€ 1.050,- in beroep en € 525,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.
Voor vergoeding van het betaalde griffierecht kan appellante zich rechtstreeks tot het college wenden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep veroordeelt het college in de kosten van appellante tot een bedrag van € 1.575,-.
Deze uitspraak is gedaan door H. Benek, in tegenwoordigheid van
T. Hemelrijk-van den Oudenalder als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 september 2020.
(getekend) H. Benek
(getekend) T. Hemelrijk-van den Oudenalder