Uitspraak
24 februari 2020, 19/5483 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Gelderland. De gemachtigde van appellant werd op 5 mei 2020 schriftelijk gewezen op de verschuldigdheid van een griffierecht van €131,-, dat binnen 28 dagen betaald moest zijn. Bij een aangetekende brief van 5 juni 2020 werd nogmaals gewezen op het betalen van het griffierecht binnen vier weken, met de waarschuwing dat het beroep anders niet inhoudelijk behandeld zou worden.
Het griffierecht is niet tijdig betaald. De Raad oordeelt dat appellant in verzuim is en verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk zonder inhoudelijke behandeling. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
De uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut in aanwezigheid van griffier N. Khachatryan op 8 september 2020. Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken verzet worden aangetekend.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet tijdige betaling van het griffierecht.