ECLI:NL:CRVB:2020:2101
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.T.H. Zimmerman
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bijstand EU-burger wegens kort verblijf in Nederland
Appellante, een EU-burger met de Britse nationaliteit, vroeg op 3 oktober 2016 bijstand aan op grond van de Participatiewet. Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam wees de aanvraag af omdat zij geen verblijfstitel had die recht gaf op bijstand en omdat zij niet aannemelijk had gemaakt langer dan drie maanden in Nederland te verblijven.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond. In hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep voerde appellante aan dat zij sinds mei 2016 rechtmatig in Nederland verbleef en dus langer dan drie maanden aanwezig was. Zij onderbouwde dit met inschrijving in de BRP, een melding bij de afdeling Stedelijke Zorg, sollicitaties en inschrijving bij het UWV.
De Raad oordeelde echter dat deze stellingen onvoldoende objectief en verifieerbaar waren. De enkele melding en e-mails met sollicitaties bewezen niet dat zij daadwerkelijk langer dan drie maanden in Nederland verbleef. De verklaringen van een hulporganisatie waren niet overgelegd. Daarom was de uitzondering op het recht op bijstand voor EU-burgers die korter dan drie maanden verblijven van toepassing.
Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De aanvraag om bijstand wordt afgewezen omdat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt langer dan drie maanden in Nederland te verblijven.