ECLI:NL:CRVB:2020:204

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 januari 2020
Publicatiedatum
29 januari 2020
Zaaknummer
18/3133 ZW-PV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging beëindiging Ziektewetuitkering wegens geschiktheid voor arbeid

De Centrale Raad van Beroep heeft op 16 januari 2020 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 26 april 2018. Het geschil betreft de beëindiging van de Ziektewetuitkering van appellant per 13 april 2017, omdat hij volgens het UWV geschikt is voor de functie van inpakker.

De rechtbank had het beroep van appellant ongegrond verklaard en geoordeeld dat het medisch en arbeidskundig onderzoek van het UWV zorgvuldig en juist was uitgevoerd. De artsen van het UWV hadden het dossier bestudeerd en lichamelijk en psychisch onderzoek verricht, waarbij alle klachten en medische informatie waren meegewogen.

Appellant verzocht in hoger beroep om inschakeling van een onafhankelijke deskundige, maar de Raad volgde dit verzoek niet vanwege het ontbreken van aanleiding en twijfel aan de medische beoordeling. De Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank dat het besluit zorgvuldig was voorbereid en dat de medische en arbeidskundige grondslag juist was.

Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten. De uitspraak is gebaseerd op een zorgvuldige afweging van het dossier en het eigen onderzoek van de verzekeringsartsen.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de Ziektewetuitkering omdat appellant geschikt is voor arbeid.

Uitspraak

18.3133 ZW-PV

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 26 april 2018, 17/7470 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 16 januari 2020
Zitting heeft: A.T. de Kwaasteniet
Griffier: C.I. Heijkoop
Ter zitting zijn verschenen: appellant, bijgestaan door mr. M.A. van de Weerd en het Uwv, vertegenwoordigd door mr. W. de Rooy-Bal.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Bij besluit van 25 oktober 2017 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 20 juni 2017 ongegrond verklaard. Bij dat laatstgenoemde besluit heeft het Uwv de uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) van appellant per 13 april 2017 beëindigd, omdat hij vanaf de datum van zijn ziekmelding op 13 april 2017 nog steeds geschikt moet worden geacht voor één van de functies waarvoor hij eerder geschikt is geacht, namelijk de functie van inpakker. Appellant was daarom niet ongeschikt voor zijn maatgevende arbeid.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om het medisch onderzoek dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt onzorgvuldig of onjuist te achten. De artsen van het Uwv hebben het dossier bestudeerd en lichamelijk en psychisch onderzoek verricht. Naar het oordeel van de rechtbank hebben de artsen blijkens hun rapporten alle door appellant naar voren gebrachte klachten en alle beschikbare medische informatie bij hun beoordeling betrokken en inzichtelijk meegewogen. Voor het inschakelen van een onafhankelijke deskundige is volgens de rechtbank geen aanleiding. Het beroep van appellant op het zogenoemde Korošec-arrest is afgewezen.
Wat appellant in hoger beroep naar voren heeft gebracht vormt in essentie een herhaling van wat hij in bezwaar en beroep heeft gesteld. De rechtbank wordt gevolgd in het oordeel dat de besluiten zorgvuldig door het Uwv zijn voorbereid. Tevens wordt de rechtbank gevolgd in het oordeel dat er geen reden is om de medische en arbeidskundige grondslag van het
ZW-besluit niet juist te achten.
Het nadrukkelijke verzoek van appellant in hoger beroep om inschakeling van een deskundige wordt niet gevolgd. Evenals de rechtbank ziet de Raad daarvoor onvoldoende aanleiding. In het dossier zijn veel medische gegevens aanwezig, er is eigen onderzoek gedaan door de verzekeringsartsen en de noodzakelijke twijfel aan de juistheid van de medische visie van de verzekeringsartsen ontbreekt.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier. Het lid van de enkelvoudige kamer.
(getekend) C.I. Heijkoop (getekend) A.T. de Kwaasteniet