ECLI:NL:CRVB:2020:1907
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA- en Ziektewetuitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, laatst werkzaam als schoonmaakster, meldde zich ziek met hartklachten en benauwdheid. Het UWV stelde op basis van medische en arbeidsdeskundige onderzoeken vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en geschikt voor bepaalde functies. Dit leidde tot weigering van een WIA-uitkering per 23 januari 2017 en later per 8 april 2017, en een Ziektewetuitkering per 2 augustus 2017.
De rechtbank verklaarde de beroepen van appellante tegen deze besluiten ongegrond, waarbij het medisch oordeel van verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen als zorgvuldig en voldoende gemotiveerd werd beoordeeld. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar beperkingen werden onderschat en dat zij recht had op een IVA-uitkering wegens een duurzaam ziektebeeld.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en het UWV. Er was geen medische onderbouwing voor de gestelde toename van arbeidsongeschiktheid of voor aanvullende beperkingen. De Raad zag geen aanleiding voor het inschakelen van een onafhankelijke deskundige en bevestigde de aangevallen uitspraken. De proceskosten werden niet toegewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van WIA- en Ziektewetuitkeringen wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.