ECLI:NL:CRVB:2020:1850
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging onvoorwaardelijk ontslag wegens ernstig plichtsverzuim bij belastingdienst
Appellant, sinds 1980 werkzaam bij de belastingdienst, werd geconfronteerd met een besluit tot onvoorwaardelijk ontslag wegens ernstig plichtsverzuim. Dit betrof onder meer het langdurig meenemen en gebruiken van alcoholhoudende drank op kantoor, het afleggen van tegenstrijdige verklaringen en het zonder toestemming verlaten van de werkplek.
Na meerdere waarschuwingen en gesprekken, waaronder een expliciete brief in 2015 waarin appellant werd gewezen op de consequenties van alcoholgebruik tijdens werktijd, bleef appellant zich schuldig maken aan deze gedragingen. Ondanks zijn lange dienstverband van 38 jaar, excuses en het inroepen van hulp voor zijn verslaving, oordeelde de Raad dat de straf niet onevenredig was.
Appellant voerde aan dat het verlaten van de werkplek op 12 februari 2018 niet als plichtsverzuim moest worden aangemerkt, maar dit werd verworpen omdat hij herhaaldelijk was gewaarschuwd dat dit niet was toegestaan. De Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank Gelderland dat het plichtsverzuim gegrond was en dat het onvoorwaardelijk ontslag passend was.
De Raad vond geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en bevestigde het bestreden besluit van de minister van Financiën.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het onvoorwaardelijk ontslag wegens ernstig plichtsverzuim.