Uitspraak
19.5208 PW
18 november 2019, 19/375 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving bijstand op grond van de Participatiewet en had gedurende meerdere perioden kasstortingen en bijschrijvingen op zijn bankrekening die niet waren gemeld aan het college. Het college herzag de bijstand en vorderde een bedrag van €21.895,77 terug wegens schending van de inlichtingenplicht. De rechtbank oordeelde dat deze stortingen als inkomsten moesten worden aangemerkt, ook al betoogde appellant dat het om leningen van familie ging. Volgens vaste rechtspraak worden dergelijke kasstortingen en bijschrijvingen als middelen en inkomsten beschouwd, en het niet melden daarvan vormt een schending van de objectieve inlichtingenplicht.
Appellant voerde aan dat hij niet wist dat leningen gemeld moesten worden en dat terugvordering tot onaanvaardbare financiële gevolgen zou leiden, maar dit werd niet onderbouwd met concrete gegevens. De rechtbank oordeelde dat het college terecht had gehandeld door de bijstand te herzien, in te trekken en terug te vorderen. In hoger beroep bracht appellant geen nieuwe gronden aan die tot een ander oordeel konden leiden.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef de motivering van de rechtbank en bevestigde de uitspraak zonder proceskostenveroordeling. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de terugvordering gehandhaafd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van bijstand wordt bevestigd.