ECLI:NL:CRVB:2020:1719
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken beroepsgronden
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant. Volgens artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet het beroepschrift de gronden van het beroep bevatten. Dit is ook van toepassing op hoger beroep volgens artikel 6:24 Awb Pro. Het ingediende beroepschrift bevatte echter geen gronden.
Appellante is bij brief van 14 oktober 2019 in de gelegenheid gesteld dit te herstellen binnen vier weken. Vervolgens heeft zij meerdere keren uitstel gevraagd om een gesprek tussen partijen mogelijk te maken, wat steeds werd gehonoreerd. Bij aangetekende brief van 23 januari 2020 is appellante voor de laatste keer verzocht de beroepsgronden binnen vier weken in te dienen, met de waarschuwing dat bij overschrijding de zaak niet inhoudelijk zou worden behandeld.
Appellante heeft geen beroepsgronden ingediend en er zijn geen verontschuldigingen voor dit verzuim gebleken. Daarom verklaart de Centrale Raad van Beroep het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk zonder inhoudelijke behandeling. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van beroepsgronden.