ECLI:NL:CRVB:2020:1717
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens niet-indienen beroepsgronden
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam. Volgens artikel 6:5 van Pro de Algemene wet bestuursrecht moet het beroepschrift de gronden van het beroep bevatten. Het ingediende beroepschrift bevatte geen gronden.
De gemachtigde van appellant is tussentijds uit de zaak gestapt, waarna appellant meerdere malen in de gelegenheid is gesteld om alsnog de beroepsgronden in te dienen binnen een termijn van vier weken. Deze termijnen zijn door appellant ongebruikt voorbijgegaan zonder verontschuldigingen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het hoger beroep daarom kennelijk niet-ontvankelijk is en beslist zonder inhoudelijke behandeling. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer op 4 augustus 2020.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet indienen van beroepsgronden binnen de gestelde termijnen.