Uitspraak
19.5182 PW
6 november 2019, 19/2452 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellante heeft bijzondere bijstand aangevraagd voor de kosten van de inrichting van haar nieuwe woning. Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam wees deze aanvraag af, omdat zij zonder acute noodzaak was verhuisd en niet aannemelijk had gemaakt dat zij niet had kunnen reserveren voor de kosten.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond, stellende dat de verhuizing voorzienbaar was en dat de kosten van woninginrichting in beginsel uit bijstandsniveau moeten worden bestreden, tenzij bijzondere omstandigheden dit verhinderen.
In hoger beroep voerde appellante aan dat zij om sociale redenen met spoed moest verhuizen en daarom niet had kunnen sparen. De Raad oordeelde dat deze gronden onvoldoende waren onderbouwd en bevestigde het oordeel van de rechtbank dat geen sprake was van een acute noodsituatie of bijzondere omstandigheden.
De Raad benadrukte dat kosten voor woninginrichting doorgaans voorzienbaar zijn en dat er mogelijkheden zijn tot reservering, lenen of gespreide betaling. De afwijzing van de bijzondere bijstand blijft daarom in stand. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van bijzondere bijstand voor woninginrichting bevestigd.