Uitspraak
18.4660 WIA
OVERWEGINGEN
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, voormalig productiemedewerker, viel in 2012 uit wegens lichamelijke klachten. Het UWV kende hem aanvankelijk een loongerelateerde WGA-uitkering toe met 100% arbeidsongeschiktheid. Na een herbeoordeling in 2016 stelde het UWV de arbeidsongeschiktheid vast op 36,86%, waartegen appellant bezwaar maakte.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de verzekeringsartsen de klachten niet hadden onderschat. Ook werd geoordeeld dat de geselecteerde functies passend waren.
In hoger beroep voerde appellant aan dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was, dat beperkingen onterecht waren verminderd en dat psychische klachten onvoldoende waren meegewogen. De Raad oordeelde echter dat het medisch onderzoek deugdelijke gronden had en dat de functies geschikt waren. Het beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De mate van arbeidsongeschiktheid van appellant is terecht vastgesteld op 36,86% en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.