ECLI:NL:CRVB:2020:1592
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering nabestaandenuitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante heeft na intrekking van een eerder toegekende nabestaandenuitkering opnieuw een aanvraag ingediend, maar de Sociale Verzekeringsbank (Svb) weigerde deze omdat zij minder dan 45% arbeidsongeschikt werd geacht. Dit oordeel was gebaseerd op rapporten van een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige die de arbeidsongeschiktheid op 0% stelden.
Het bezwaar van appellante tegen deze weigering werd ongegrond verklaard door de Svb, die tevens het verzoek om vergoeding van kosten in de bezwaarfase afwees. De rechtbank bevestigde dit besluit. In hoger beroep stelde appellante dat het onderzoek onzorgvuldig was en dat de uitspraak onjuist was, maar richtte haar gronden alleen op de afwijzing van de kostenvergoeding.
De Raad overwoog dat de gronden tegen het primaire besluit onvoldoende onderbouwd waren en bevestigde dat de kostenvergoeding terecht was geweigerd omdat het primaire besluit niet was herroepen. De Raad benadrukte dat herroeping in de zin van artikel 7:15 Awb Pro alleen plaatsvindt bij wijziging van het primaire besluit, wat hier niet het geval was. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de nabestaandenuitkering en de afwijzing van de kostenvergoeding.