Uitspraak
18.5296 WIA
OVERWEGINGEN
)heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Centrale Raad van Beroep
Appellante was werkzaam als medewerker klantenservice en meldde zich ziek met lichamelijke en later psychische klachten. Het UWV weigerde een WIA-uitkering toe te kennen omdat er geen toename van arbeidsongeschiktheid was vastgesteld sinds 3 september 2015. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit in hoger beroep.
Appellante voerde aan dat er sprake is van een ernstige depressie, ondersteund door informatie van een GZ-psycholoog en revalidatiearts, en dat haar klachten zijn verslechterd. De verzekeringsartsen concludeerden echter na eigen onderzoek dat er onvoldoende aanwijzingen zijn voor een ernstige depressie met suïcidaliteit of psychose, en dat de beperkingen niet zijn toegenomen.
De Raad oordeelde dat de rechtbank terecht het standpunt van het UWV heeft gevolgd en dat de medische informatie van appellante onvoldoende is om de eerdere conclusies te weerleggen. Het hoger beroep wordt daarom afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Hoger beroep wordt afgewezen; geen recht op WIA-uitkering wegens ontbreken toegenomen beperkingen.