ECLI:NL:CRVB:2020:1572
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling mate van arbeidsongeschiktheid op grond van de WIA bevestigd
Appellante, laatstelijk werkzaam als verhuurmedewerker, viel in 2009 uit vanwege rugklachten en ontving een WGA-vervolguitkering op basis van een arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55% vastgesteld door het UWV. Zij maakte bezwaar tegen deze vaststelling, stellende dat haar beperkingen door polyartrose en fibromyalgie werden onderschat.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarbij het medisch onderzoek van de verzekeringsarts bezwaar en beroep als zorgvuldig werd beoordeeld. In hoger beroep herhaalde appellante haar bezwaren, maar de Centrale Raad van Beroep onderschreef de eerdere beoordeling en oordeelde dat de beperkingen voldoende waren meegewogen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML).
De verzekeringsarts had overtuigend toegelicht dat er geen medische grond was voor een urenbeperking en dat het advies van de reumatoloog om overbelasting te vermijden adequaat was verwerkt. Appellante overlegde geen nieuwe medische informatie die haar stellingen ondersteunde.
De Raad concludeerde dat appellante medisch geschikt was voor de functies waarop de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling was gebaseerd en bevestigde daarmee de vaststelling van 49,73% arbeidsongeschiktheid. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: De vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid op 49,73% wordt bevestigd en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.