ECLI:NL:CRVB:2020:1569

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 juli 2020
Publicatiedatum
22 juli 2020
Zaaknummer
19/5254 AW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:108 AwbArt. 6:5 AwbArt. 6:24 Awb
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens niet betalen griffierecht en ontbreken beroepsgronden

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant. De Centrale Raad van Beroep heeft appellant meerdere malen schriftelijk gewezen op de verplichting tot betaling van het griffierecht en het indienen van beroepsgronden. Ondanks deze waarschuwingen heeft appellant het griffierecht niet binnen de gestelde termijn betaald en heeft hij nagelaten om de beroepsgronden aan te vullen.

De Raad heeft op grond van artikel 8:41 en Pro 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het griffierecht geëist en appellant meerdere kansen gegeven om dit alsnog te voldoen. Daarnaast is op grond van artikel 6:5 en Pro 6:24 Awb vereist dat het beroepschrift de gronden van het beroep bevat, hetgeen eveneens ontbrak.

Gezien het uitblijven van betaling en het ontbreken van beroepsgronden is het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard zonder inhoudelijke behandeling. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter C.H. Bangma op 16 juli 2020.

Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet betaling van het griffierecht en het ontbreken van beroepsgronden.

Uitspraak

Datum uitspraak: 16 juli 2020
19/5254 AW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 5 november 2019, 18/458
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Minister van Justitie en Veiligheid, Immigratie- en Naturalisatiedienst

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

OVERWEGINGEN

In artikel 8:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat van de indiener van het beroepschrift een griffierecht wordt geheven. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Bij brief van 21 december 2019 is appellant erop gewezen dat een griffierecht van € 259,- is verschuldigd, en is medegedeeld dat dit bedrag uiterlijk 28 dagen na de dag van verzending van de brief op de in die brief genoemde bankrekening moet zijn bijgeschreven.
Bij aangetekende brief van 21 januari 2020 is appellant nogmaals gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en is medegedeeld dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken na de datum van deze brief op de in die brief genoemde bankrekening dient te zijn bijgeschreven dan wel contant moet zijn betaald op het bezoekadres van de Raad. Daarbij is erop gewezen dat als het griffierecht niet tijdig wordt betaald, appellant er rekening mee moet houden dat het (hoger) beroep niet inhoudelijk behandeld zal worden.
Het griffierecht is niet binnen de termijn betaald.
Voorts is in artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb, bepaald dat het beroepschrift de gronden van het beroep dient te bevatten. Ingevolge artikel 6:24 van Pro de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Het ingediende beroepschrift bevat geen gronden.
Bij brief van 24 december 2019 is appellant in de gelegenheid gesteld dit verzuim binnen
vier weken te herstellen.
Appellant heeft deze termijn ongebruikt voorbij laten gaan.
Bij aangetekende brief van 24 januari 2020 is aan appellant nogmaals de gelegenheid geboden om beroepsgronden in te dienen. Daarbij is een termijn van vier weken gesteld en is appellant erop gewezen dat bij overschrijding van die termijn er rekening mee gehouden moet worden dat de zaak niet inhoudelijk zal worden behandeld.
Appellant heeft ook deze termijn ongebruikt voorbij laten gaan.
Ten aanzien van beide hiervoor genoemde onderwerpen kan op grond van de beschikbare gegevens redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest. Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.
Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma, in tegenwoordigheid van D.W.M. Kaldenhoven als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2020.
(getekend) C.H. Bangma
(getekend) D.W.M. Kaldenhoven
Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.