Uitspraak
19.1633 ANW
.
Centrale Raad van Beroep
Appellante, woonachtig in Marokko, verzocht om een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW) na het overlijden van haar echtgenoot in 2017. Haar echtgenoot had van 1968 tot 1982 in Nederland gewoond en gewerkt en ontving ten tijde van zijn overlijden een ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet. De Sociale verzekeringsbank (Svb) wees de aanvraag af omdat de echtgenoot op de overlijdensdatum niet verzekerd was voor de ANW, wat werd bevestigd in bezwaar en door de rechtbank.
In hoger beroep voerde appellante aan dat zij zorg droeg voor haar kinderen en dat haar echtgenoot een ouderdomspensioen ontving. De Raad onderschreef echter het oordeel van de rechtbank dat het ontbreken van woon- of werkverblijf in Nederland op het moment van overlijden betekent dat er geen ANW-verzekering was. Het toegekende ouderdomspensioen leidt niet tot verplichte ANW-verzekering en er was geen bewijs van vrijwillige premiebetaling.
De Raad concludeerde dat de dwingendrechtelijke bepalingen van de ANW niet toestaan af te wijken van deze regels en dat de argumenten van appellante onvoldoende zijn om recht op een nabestaandenuitkering toe te kennen. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van de nabestaandenuitkering bevestigd.