ECLI:NL:CRVB:2020:1528
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang bij WIA-uitkering
Appellante was werkzaam als persoonlijk begeleider en meldde zich in 2011 ziek met rugklachten. Het UWV weigerde aanvankelijk een WIA-uitkering toe te kennen, maar kende later een loongerelateerde WGA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 36,05%. Na bezwaar van de werkgever werd dit percentage verlaagd naar 30,72% en werd de uitkering beëindigd per eind 2016.
Appellante stelde in beroep dat haar beperkingen werden onderschat. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep schakelde de Raad een deskundige in die concludeerde dat appellante verdergaand beperkt was dan het UWV had aangenomen. Dit leidde tot een gewijzigde beslissing op bezwaar waarbij het arbeidsongeschiktheidspercentage werd vastgesteld op 58,22%.
Omdat het gewijzigde besluit tegemoet kwam aan de bezwaren van appellante en werkgever geen bezwaar maakte, oordeelde de Raad dat appellante geen belang meer had bij haar hoger beroep. Het hoger beroep werd daarom niet-ontvankelijk verklaard. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellante is niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang.