Uitspraak
18.1409 PW
OVERWEGINGEN
artikel 54, vierde lid, van de PW met ingang van 1 augustus 2017 ingetrokken op de grond dat appellant de gevraagde gegevens niet binnen de gestelde termijn heeft ingeleverd.
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving bijstand op grond van de Participatiewet en werd door het college van burgemeester en wethouders van Tilburg uitgenodigd voor gesprekken waarbij hij bankafschriften van de afgelopen drie maanden moest overleggen. Appellant verscheen niet en leverde de gevraagde stukken niet in. Het college schortte vervolgens het recht op bijstand op en trok het bijstandsrecht met terugwerkende kracht in wegens het niet overleggen van de gevraagde gegevens.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze intrekking ongegrond, stellende dat appellant verwijtbaar heeft gehandeld door niet te verschijnen en de stukken niet te overleggen. De stelling van appellant dat hij de uitnodigingen niet tijdig ontving, werd verworpen omdat de uitnodigingen aangetekend naar zijn adres waren verzonden en het zijn eigen verantwoordelijkheid is om post tijdig te openen.
In hoger beroep voerde appellant aan dat het college hem ook telefonisch had moeten benaderen en hem een kans had moeten geven het verzuim te herstellen, mede gezien eerdere ervaringen met postbezorging. De Raad oordeelde dat appellant geen nieuwe gronden had aangevoerd die de gemotiveerde uitspraak van de rechtbank onjuist maken. De Raad bevestigde dat het college voldoende gelegenheid had geboden en dat het niet de verantwoordelijkheid van het college was om op andere wijze contact te zoeken.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstandsuitkering wegens het niet overleggen van bankafschriften wordt bevestigd.