ECLI:NL:CRVB:2020:1394
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering wegens voldoende verdiencapaciteit bevestigd
Appellante was huishoudelijke hulp en meldde zich ziek met lichamelijke klachten, waarna haar dienstverband eindigde en zij ziekengeld ontving. Het UWV stelde na een eerstejaars Ziektewetbeoordeling vast dat appellante met beperkingen in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) nog 83,75% van haar maatmaninkomen kon verdienen, waarop de Ziektewetuitkering werd ingetrokken.
Appellante maakte bezwaar en beroep tegen deze besluiten, waarbij zij zich beroept op verdergaande beperkingen volgens haar medisch specialisten. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de geselecteerde functies medisch geschikt waren.
In hoger beroep benoemde de Raad een onafhankelijke verzekeringsarts die het eerdere oordeel bevestigde. De Raad volgde het deskundigenrapport en de rechtbank in hun motivering en concludeerde dat appellante meer dan 65% van haar maatmaninkomen kan verdienen, waardoor het hoger beroep werd verworpen en de beëindiging van de Ziektewetuitkering werd bevestigd.
Uitkomst: De Ziektewetuitkering van appellante is terecht beëindigd omdat zij meer dan 65% van haar maatmaninkomen kan verdienen.