ECLI:NL:CRVB:2020:1369

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 juli 2020
Publicatiedatum
2 juli 2020
Zaaknummer
17/5651 ZW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 ZW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging Ziektewetuitkering wegens voldoende medische grondslag bevestigd

Appellant was werkzaam als gewasmedewerker in aangepast werk en meldde zich ziek met diverse pijnklachten. Het UWV beëindigde zijn Ziektewetuitkering op basis van een medisch onderzoek waarbij hij geschikt werd geacht voor zijn laatst verrichte arbeid.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat de medische onderzoeken zorgvuldig waren uitgevoerd en de pijnklachten subjectief waren, zonder objectief medisch bewijs voor arbeidsongeschiktheid.

In hoger beroep voerde appellant aan dat het medisch onderzoek onvolledig was, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat dit niet onderbouwd was met nieuwe medische informatie. De Raad onderschreef de rechtbank en bevestigde het besluit tot beëindiging van de uitkering.

De Raad wees tevens proceskosten af en maakte duidelijk dat de beoordeling van arbeidsongeschiktheid mede gebaseerd is op objectief vastgestelde beperkingen, niet op subjectieve pijnklachten zonder medische onderbouwing.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de Ziektewetuitkering wegens voldoende medische grondslag.

Uitspraak

17.5651 ZW

Datum uitspraak: 1 juli 2020
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 29 juni 2017, 16/9286 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. A.M. van Kuijeren, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het op 11 maart 2020 geplande onderzoek ter zitting is geannuleerd.
Partijen hebben desgevraagd niet verklaard gebruik te willen maken van het recht om op een zitting te worden gehoord, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant is werkzaam geweest in aangepast werk als gewasmedewerker voor 38 uur per week. Zijn dienstverband is op 31 augustus 2015 geëindigd. Appellant heeft zich op 27 juni 2016 ziek gemeld met pijnklachten aan voeten, linkerenkel, rechterknie, rug en schouders. Op dat moment ontving hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet.
1.2.
Op 21 juli 2016 heeft appellant het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft appellant per 27 juli 2016 geschikt geacht voor de laatst verrichte arbeid in de functie van gewasmedewerker. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 21 juli 2016 de uitkering die appellant ontving op grond van de Ziektewet (ZW) met ingang van 27 juli 2016 beëindigd. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 11 oktober 2016 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen van het Uwv voldoende zorgvuldig is verricht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft dossieronderzoek verricht en – evenals de verzekeringsarts heeft gedaan – appellant lichamelijk en psychisch onderzocht. Ook hadden de verzekeringsartsen bij de beoordeling de beschikking over het in opdracht van de werkgever van appellant opgestelde arbeidskundige rapport van 6 juni 2013. Daaruit kan worden afgeleid dat het laatst verrichte werk van appellant was aangepast waarbij duwen, trekken, tillen en dragen beperkt waren. De rechtbank heeft ook geen aanleiding gezien om de uitkomst van het medisch onderzoek onjuist te achten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft aan alle klachten aandacht besteed en ook de pijnklachten van appellant bij de beoordeling betrokken. De pijnklachten zijn bij uitstek subjectieve en individuafhankelijke factoren, die geen leidraad kunnen zijn bij de vaststelling van arbeidsongeschiktheid. Volgens de rechtbank bestaat daarvoor eerst aanleiding als deze klachten objectief medisch vast te stellen beperkingen met zich brengen. Appellant heeft echter geen medische stukken ingediend op grond waarvan dit zou blijken.
3.1.
In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat het onderzoek in de bezwaarfase onvolledig is geweest, waar de rechtbank onvoldoende acht op heeft geslagen. Hoewel de pijnklachten, die onmiskenbaar zijn vastgesteld, niet objectiveerbaar zijn, neemt dat niet weg dat nader onderzoek wenselijk is.
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Op grond van artikel 19, vijfde lid, van de ZW wordt voor een verzekerde die geen werkgever heeft onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend zijn voor zijn arbeid.
4.2.
Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd is in essentie een herhaling van wat hij in beroep naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft de beroepsgronden van appellant afdoende besproken en overtuigend gemotiveerd waarom deze niet slagen. Het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die daaraan ten grondslag zijn gelegd worden geheel onderschreven. Omdat appellant zijn in hoger beroep ingenomen standpunt dat het onderzoek door het Uwv onvolledig is geweest in hoger beroep op geen enkele wijze nader heeft onderbouwd en ook geen medische informatie heeft overgelegd die aanleiding geeft om de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, neergelegd in het rapport van 10 oktober 2016, in twijfel te trekken, wordt geen aanleiding gezien om tot een ander oordeel dan de rechtbank te komen.
5. De overwegingen in 4.2 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A.T. de Kwaasteniet, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2020.
(getekend) A.T. de Kwaasteniet
(getekend) P. Boer