ECLI:NL:CRVB:2020:1362
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging recht op ziekengeld wegens onvoldoende medische onderbouwing beperkingen
Appellant was werkzaam als medewerker in een shoarmazaak en meldde zich ziek met psychische klachten. Het UWV beëindigde het recht op ziekengeld per 11 januari 2018 na een medisch onderzoek door een verzekeringsarts die appellant geschikt achtte voor zijn laatst verrichte arbeid.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat er geen aanwijzingen waren voor een ernstig invaliderende depressie. Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn psychische situatie na de laatste medische beoordeling was verslechterd, maar bracht geen nieuwe medische gegevens in.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef de overwegingen van de rechtbank en oordeelde dat het UWV terecht het ziekengeld heeft beëindigd. Er was geen reden om te twijfelen aan het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, die rekening had gehouden met alle beschikbare medische informatie.
Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de beëindiging van het recht op ziekengeld bevestigd.