ECLI:NL:CRVB:2020:1352
Centrale Raad van Beroep
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Beoordeling herzieningsverzoeken Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers en burger-oorlogsslachtoffers
Appellante heeft sinds 2003 aanvragen ingediend voor uitkeringen op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv) en de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo). Deze aanvragen werden destijds afgewezen omdat niet was aangetoond dat zij door de Japanse bezettende macht was vrijheidsberovend opgesloten of dat zij was getroffen door oorlogsgeweld.
Na eerdere afwijzingen verzocht appellante in 2018 en 2019 om herziening van deze besluiten. Verweerder wees deze verzoeken af omdat geen nieuwe feiten of gegevens waren aangevoerd die tot andere beslissingen zouden moeten leiden. Appellante voerde onder meer een beroep op het gelijkheidsbeginsel aan, verwijzend naar eerdere beslissingen ten aanzien van haar broer en zuster.
De Raad oordeelt dat het beleid ten aanzien van het kamp Mlaten is gewijzigd na een onderzoeksrapport uit 1996, waardoor het verblijf aldaar niet meer onder de Wubo valt. Dit betekent dat appellante vanaf haar eerste aanvraag in een andere situatie verkeerde dan haar broer en zuster, zodat het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt.
De Raad past een terughoudende toets toe bij de beoordeling van herzieningsverzoeken en concludeert dat de besluiten van verweerder standhouden. De beroepen worden ongegrond verklaard en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De beroepen worden ongegrond verklaard en de herzieningsverzoeken afgewezen wegens ontbreken van nieuwe feiten of gegevens.